Bron: Thierry Meyssan
Voltaire Netwerk Paris 5 mei 2026 ~~~
De huidige oorlog was voor alle lidstaten van de Verenigde Naties een gelegenheid om vast te stellen dat de VN sinds haar oprichting bij talloze gelegenheden het internationaal recht schendt. En om eraan te herinneren dat het internationaal recht een aanval zoals die van Israël en de Verenigde Staten tegen Iran als „agressie“ bestempelt. Bovendien hebben 193 staten (waaronder Israël en de Verenigde Staten) het recht van de aangevallen staat erkend om de staten die militaire bases van de aanvallers herbergen, als mede-agressors te beschouwen.
Ook in de talen: عربي čeština Deutsch ελληνικά
English Español français italiano Português русский
Terwijl we ons ofwel zorgen maken over het oorlogsnieuws, ofwel over de prijsstijgingen die het veroorzaakt, wordt het belangrijkste aspect van het huidige conflict met Iran in het Westen helemaal niet opgemerkt: verwijzend naar een van de centrale teksten van het internationaal recht heeft de Islamitische Republiek Iran ons een heroverweging van onze eigen verplichtingen voorgesteld.
Een illegale agressie van Israël en de Verenigde Staten
Hoewel het overduidelijk is dat Israël en de Verenigde Staten op 28 februari 2026 geen enkel recht hadden om Iran aan te vallen, zijn er maar weinigen die dit in het openbaar durven te zeggen. In het Westen is het de gewoonte om geen stelling te nemen. Er zijn dan ook maar weinig mensen die durven te zeggen dat Israël en de Verenigde Staten zich als barbaren gedragen.
In het algemeen is het internationaal recht geen wetboek, vergelijkbaar met een strafwetboek, maar een reeks verplichtingen waaraan degenen die ze zijn aangegaan zich moeten houden. Het gaat erom zich niet als barbaren te gedragen, geen oorlogspropaganda te voeren, af te zien van kolonisatie en het recht van volkeren op zelfbeschikking te erkennen, af te zien van het bedreigen van anderen, af te zien van het aanvallen van buren of medeplichtig te zijn aan een dergelijke aanval.
Pas op 10 april verklaarde ambassadeur Michael G. Waltz, de permanente vertegenwoordiger van de Verenigde Staten bij de Verenigde Naties, dat de oorlog die gaande was tot doel had “de Amerikaanse strijdkrachten in de regio te beschermen, het vrije scheepvaartverkeer in de Straat van Hormuz te waarborgen en de regionale bondgenoten en partners van de Verenigde Staten te beschermen tegen Iran en zijn handlangers” [1]. Merk op dat deze rechtvaardiging niet betrekking heeft op het uitbreken van de oorlog, maar uitsluitend op de voortzetting ervan.
Tegelijkertijd legde Gideon Sa’ar, de Israëlische minister van Buitenlandse Zaken, uit dat de huidige oorlog, “Brullende Leeuw”, slechts de tweede fase is van de operatie “Oprijzende Leeuw”. Hij rechtvaardigde dit door te zeggen dat Iran had gereageerd op de eerste Israëlische bombardementen. Bovendien baseerde hij zich op de slogans van de Iraanse demonstraties (“Dood aan Israël!”, “Dood aan de Verenigde Staten!”) om te proberen te overtuigen dat Teheran al geruime tijd van plan is de gehele Israëlische joodse bevolking uit te roeien. Daarna volgde een betoog waarin werd aangetoond dat Iran op het punt stond een atoombom en ballistische raketten te bouwen, waardoor Tel Aviv gedwongen zou worden in te grijpen voordat het te laat was. De brief eindigde met een eerbetoon aan het “moedige Iraanse volk dat zich heeft willen bevrijden van het tirannieke juk [van het regime]” [2].
Hiermee greep Israël, zoals gewoonlijk, de geschiedenis aan op het moment dat het hem uitkwam en liet het eerdere gebeurtenissen buiten beschouwing (het bombardement op de residentie van de Iraanse ambassadeur in Beiroet op 1 april 2024 en de Iraanse vergeldingsaanval op 1 oktober 2024; de Israëlische “preventieve” aanval van 13 juni 2025 en de daaropvolgende Iraanse reactie). In de huidige situatie zijn deze drie operaties echter allemaal “agressie” in de zin van het Handvest van de Verenigde Naties.
De interpretatie van de slogan “Dood aan Israël!” als zijnde een wens om de bevolking van deze staat te vernietigen, is onjuist. Teheran wil een einde maken aan de schurkenstaat Israël, die zichzelf op 14 mei 1948 heeft uitgeroepen en die het niet erkent, maar het wil niet de bevolking ervan doden, die het respecteert. Teheran houdt vast aan het verdelingsplan voor Palestina, dat op 29 november 1947 door de Verenigde Naties werd aangenomen. Tel Aviv verwerpt dit plan en heeft op 17 september 1948 de bemiddelaar van de Verenigde Naties, de Zweed Folke Bernadotte, vermoord, terwijl hij de grenzen kwam bestuderen van de gebieden die aan de joden en de Arabieren zouden worden toegewezen.
Ten slotte is het koppelen van Iraanse onderzoek aan militaire nucleaire doeleinden al zo’n dertig jaar een terugkerend thema van Benjamin Netanyahu. Dit is nooit bewezen, ondanks talrijke pogingen, waaronder de diefstal van de nucleaire archieven van Teheran. Integendeel, de ayatollahs Ruhollah Khomeini en Ali Khamenei hebben fatwa’s uitgevaardigd die het gebruik van massavernietigingswapens, waaronder kernwapens, verbieden. Bovendien hebben de Chinese en Russische delegaties bij de besprekingen in Lausanne en Wenen (2013-2015) bevestigd dat Iran in 1988 daadwerkelijk alle militair nucleair onderzoek heeft stopgezet en dit nooit heeft hervat. Rusland, dat tot vorige maand een civiel nucleair programma in Iran leidde, is bij uitstek gekwalificeerd om dit te bevestigen. Tot slot heeft het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA) hier nooit sporen van gevonden, maar het had niet overal toegang.
Het feit dat deze oorlog van Israël en de VS onwettig is, zegt echter niets over de vraag of de Iraanse reactie dat ook is.

Resolutie 2817 van de Veiligheidsraad (11 maart 2026)
Tot nu toe hebben we allemaal begrepen dat een aangevallen staat het recht heeft zich tegen zijn agressor te verdedigen.
Op initiatief van Bahrein heeft de Veiligheidsraad op 11 maart 2026 resolutie 2817 aangenomen, die het internationaal recht schendt door de Iraanse reactie te veroordelen [3]. Alleen de Chinese en Russische delegaties weigerden het voorstel goed te keuren. Ambassadeur Vassili Nebenzia, de permanente vertegenwoordiger van Rusland, wees erop dat “de autoriteiten in Teheran herhaaldelijk hebben benadrukt dat hun vergeldingsacties niet specifiek gericht waren tegen de landen in de regio, maar veeleer tegen de Amerikaanse militaire installaties en infrastructuur op hun grondgebied, die legitieme doelen vormen in het kader van het recht op zelfverdediging van Iran, overeenkomstig artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties”. Hij verwees naar het hoofdkwartier van de Vijfde Vloot (Bahrein), de luchtmachtbasis Prince Sultan (Saoedi-Arabië), de militaire basis Oudeid (Qatar), die van Dhafra (Verenigde Arabische Emiraten) en die in Koeweit, Jordanië en Irak.
Sindsdien heeft het conflict zich uitgebreid. Het betreft nu ook het Verenigd Koninkrijk, Cyprus, Bulgarije, Roemenië en Australië.
Resolutie 2817 is niet alleen onevenwichtig (er wordt geen melding gemaakt van de aanval op Iran, maar alleen van de Iraanse reactie, die uit haar context is gehaald), maar schendt ook het internationaal recht dat de Raad juist moet handhaven (het recht van Iran op zelfverdediging wordt genegeerd).
China en Rusland hadden een concurrerende resolutie voorgesteld (S/2026/159), die uiterst sober was en zich beperkte tot het aansporen van de strijdende partijen om hun militaire operaties te staken alsook het veroordelen van “aanvallen op burgers en civiele infrastructuur”.
Daar wringt inderdaad de schoen: Iran heeft, net als elke staat in oorlog, onbedoeld burgers in de Golfregio getroffen en opzettelijk civiele voorzieningen vernietigd. Het internationaal recht verbiedt echter al sinds zijn ontstaan in 1899 aanvallen op civiele infrastructuur zonder militaire reden. Iran heeft bijvoorbeeld ontziltingsinstallaties vernietigd die onmisbaar zijn voor het dagelijks leven van de burgerbevolking, zonder uit te leggen hoe dit zijn militaire doel diende.

Resolutie 3314 (XXIX) van de Algemene Vergadering (14 december 1974)
Volgens de procedure van de Veiligheidsraad kreeg Iran, dat slechts een lidstaat van de Algemene Vergadering was, pas het woord na de stemming over het debat tussen de vijftien permanente leden van de Raad. Op het moment van de stemming waren China en Rusland, die de illegale agressie van Israël en de Verenigde Staten hadden veroordeeld, zelf resolutie 3314 (XXIX) vergeten. Deze resolutie bepaalt uitdrukkelijk, in artikel 3, lid f), dat “het feit dat een staat toestaat dat zijn grondgebied, dat hij ter beschikking heeft gesteld aan een andere staat, door deze laatste wordt gebruikt om een daad van agressie tegen een derde staat te plegen” eveneens een daad van agressie is [4]. Deze resolutie is een van de belangrijkste teksten van het internationaal recht. Hierin wordt uitgelegd wat wordt verstaan onder „agressie“, iets wat alle lidstaten van de VN bij de ondertekening van het Handvest van de organisatie hebben beloofd nooit te zullen plegen.
De verklaring is unaniem goedgekeurd door de lidstaten van de Algemene Vergadering, zonder stemming. Ze staat dus niet ter discussie.
Waarschijnlijk hebben de leden van de Raad het citaat niet gehoord dat de Iraanse ambassadeur, Amir Saeid Iravani, aanhaalde en dat hij als bindend voor iedereen (Jus cogens) bestempelde. Hij kwam er later uitgebreid op terug in een lange reeks brieven waarin hij de aanval op de Golfstaten en Jordanië rechtvaardigde.
Wekenlang hielden de Golfstaten en Jordanië vol dat zij de Verenigde Staten hadden gevraagd militaire bases op hun grondgebied te vestigen om hen te beschermen en dat Iran geen enkel recht had hen aan te vallen zoals het deed. Gaandeweg, naarmate de briefwisseling vorderde, realiseerden zij zich dat zij in een val waren gelopen: door Iran aan te vallen had hun “beschermer” hen tot doelwit gemaakt. Zij lieten hun verwijzing naar resolutie 2817 van de Veiligheidsraad varen en poogden Iran ervan te verzekeren dat zij geen medeplichtigen wilden zijn aan zijn agressie.
Ze probeerden duidelijk te maken dat resolutie 3314 (XXIX) Iran niet toestond om burgers aan te vallen; dat dit de basis was van het internationaal recht: “zich niet als barbaren gedragen”. Teheran stopte onmiddellijk met het aanvallen van ontziltingsinstallaties, maar bleef Amerikaanse militaire bases bombarderen. En aangezien de Golfstaten toen schadevergoeding eisten voor de geleden schade, voerde Iran de druk op. Teheran beschuldigde de Golfstaten en Jordanië van medeplichtigheid aan de daden van hun agressor en eiste ook van hen schadevergoeding, net zoals het dat eerder van Israël en de Verenigde Staten had geëist.

Het Verdrag inzake het recht van de zee (10 december 1982)
Een ander onderwerp van internationaal recht waarover we door deze oorlog opnieuw moeten nadenken, is dat van de zeestraten. Heeft men het recht om de doorgang door een zeestraat te verhinderen of er tol te heffen?
Het Verdrag inzake de rechten van de zee bepaalt dat niemand de “onschadelijke doorvaart” van schepen in de wateren van zijn eigen zeestraten mag verbieden; ook al is dit niet specifiek vermeld, geldt deze bepaling uiteraard niet in oorlogstijd. Het Verdrag zwijgt over eventuele tolheffingen.
Net zoals de Veiligheidsraad een resolutie heeft aangenomen die in strijd is met het internationaal recht, heeft ook een agentschap van de Verenigde Naties, de Internationale Maritieme Organisatie, op 19 maart 2026 [5] op initiatief van de Verenigde Arabische Emiraten een verklaring aangenomen. Daarin wordt geëist dat “Iran zich onmiddellijk, in overeenstemming met het internationaal recht, onthoudt van elke handeling of dreiging die erop gericht is de internationale scheepvaart in de Straat van Hormuz te sluiten, te belemmeren of op enigerlei wijze te hinderen, of die gericht is tegen koopvaardij- of handelsschepen in en rond de Straat van Hormuz“
Deze verklaring is aangenomen door middel van een procedurele list waarmee van het algemene recht kon worden afgeweken en de voor elke vergadering van de instanties vereiste kennisgeving van een maand kon worden genegeerd [6]. Ze was ingediend door 115 van de 176 lidstaten.
De wateren van de Straat van Hormuz zijn geen internationale wateren. Het zijn Omaanse en Iraanse wateren, met een klein gebied van de Verenigde Arabische Emiraten aan de ingang van de Perzische Golf. Een situatie die vergelijkbaar is met die van de Pas de Calais, ook wel de Straat van Dover genoemd, in het Kanaal. Daar zijn geen internationale wateren, maar uitsluitend Franse en Britse wateren. Bij de schipbreuk van de tanker Amoco Cadiz in 1978 spoelde 60.000 ton ruwe olie aan over een kustlijn van 375 kilometer. Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk hadden op dat moment niet de doorgang voor tankers kunnen verbieden, maar wel een tol van hen kunnen eisen om de schoonmaak van de kusten te financieren. Dat hebben ze niet gedaan en Frankrijk heeft de kosten van de ramp alleen gedragen. Oman, Iran en misschien ook de Emiraten zouden vandaag de dag een doorgangsrecht in de Straat van Hormuz kunnen instellen om zich te voorzien van de nodige middelen om het hoofd te bieden aan een mogelijke ramp van deze aard. Niemand kan zich hiertegen verzetten.
In de huidige periode hebben we gezien dat Iran de doorgang van schepen die banden hebben met de agressors blokkeert, wat in oorlogstijd verenigbaar is met het Verdrag inzake het recht van de zee. We hebben ook gezien dat de Verenigde Staten de zeestraat bijna volledig blokkeren, wat een oorlogsdaad jegens Iran is en een belemmering vormt voor het vrije verkeer van buitenlandse schepen. Ten slotte hebben we gezien dat Iran een doorgangsrecht heft, dat kan oplopen tot 2 miljoen dollar voor de doorvoer van 250.000 ton ruwe olie. Hoewel niemand dit tolgeld in oorlogstijd kan betwisten, gezien de verwoestingen die Iran zijn toegebracht, zou het in vredestijd niet mogen worden opgelegd.
In tegenstelling tot wat beweerd is, heeft Iran de Straat van Hormuz nooit afgesloten voor de internationale scheepvaart, maar alleen voor de staten die oorlog tegen het land voeren [7]. Integendeel, het heeft de blokkade veroordeeld die de Verenigde Staten hebben ingesteld, in strijd met het recht op vrij verkeer op zee [8].
Topfoto: Alhoewel om verschillende redenen, zijn Israël en de Verenigde Staten samen verantwoordelijk voor de agressie tegen Iran.
voetnoten
[1] “Justification for the US war against Iran”, by Michael G. Waltz, Voltaire Network, 10 March 2026.
[2] “Justification for the Israeli war against Iran”, by Gideon Sa’ar , Voltaire Network, 10 March 2026.
[3] “Security Council Resolution 2817 condemning the Iranian response”, Voltaire Network, 11 March 2026.
[4] “United Nations General Assembly Resolution 3314 (XXIX) : Definition of Aggression”, Voltaire Network, 14 December 1974.
[5] “IMO Council Declaration on the Strait of Hormuz”, Voltaire Network, 19 April 2026.
[6] « Action des Émirats arabes unis auprès de l’Organisation maritime internationale (OMI) », par Mohamed Abushahab, Réseau Voltaire, 28 mars 2026. « L’Iran conteste la “Déclaration” de l’OMI », par Amir Saeid Iravani , Réseau Voltaire, 9 avril 2026.
[7] “Iran’s position on traffic in the Strait of Hormuz”, Voltaire Network, 22 March 2026.
[8] “Iran complains about the US blockade of the Strait of Hormuz”, by Amir Saeid Iravani , Voltaire Network, 13 April 2026.
